Het begon allemaal met een angst: de angst om iets te verliezen.
Fotografie was voor mij een manier om de tijd vast te houden, om hem te bevriezen. Maar gaandeweg verschoof mijn werk naar een vorm van abstractie.
Van snapshot en straatfotografie ben ik overgestapt naar de studio. Daar begon ik de materialiteit van het beeld te bewerken met behulp van een grootformaatcamera. Op die manier kom ik tot iets nieuws: de instabiliteit van het beeld en zijn ongrijpbare karakter.
Fotografie vertrekt van de belofte dat ze een getrouwe weergave van de werkelijkheid biedt. Ze pretendeert de herinnering intact te bewaren, maar die valt uiteen en verandert. Mijn werk aanvaardt dit verlies: fotografie wordt een opeenstapeling van lagen, een geheel van waarnemingen.
Écarter le noir is het naar boven halen van wat begraven ligt. Want op de dag dat ik verdwijn, zal wat overblijft voortleven in de blik van anderen — en wat verschijnt, behoort alleen toe aan degene die kijkt.